Sportclubs

de Trekvaart

De Trekvaart1933 trekvaart

 

Tijdens mijn jeugd in Parrega, jaren ’60 en ’70, speelde de Trekvaart een belangrijke rol.
Je liep er langs om naar school te gaan. We schaatsten er op, we zwommen er in, we visten langs de kant, maakten pijlen van het riet en zochten naar ‘schatten’ langs de waterkant.

Lees meer

Een telefoontje

ÉÉN TELEFOONTJE

Het is slechts een telefoontje!
Oude contacten, verwaterde contacten, geen tijd, misschien niet geïnteresseerd.
Het zijn allemaal van die elementen waar we wel of niet bewust gebruik van maken en daarom vaak met mensen die we al jaren kennen weinig of geen contact houden.
Soms komt het contact uit een onverwachte hoek, of in mijn geval, spontaniteit.

Lees meer

De Poepton

De Poepton

Ik was schijt benauwd
Ik moet een jaar of zes zijn geweest in 1963. Iedere morgen liep ik van Trekweg 146 naar de lagere school op de Horstweg. Meestal samen met Margje Boonstra. Iedere woensdag kwamen de ‘tonnetje mannen’ door het dorp. Voor de huidige generatie een vreemd begrip, maar tot in de jaren ’60 waren er nog mensen die hun door het lichaam verbrande etensresten via de bekende weg in een tonnetje deponeerden. De tonnetjesmannen pikten de ton op uit het ‘huske’ en laden dat in hun truck. Als men teveel bruine bonen had gegeten wilde het tonnetje nog wel eens tot de rand gevuld zijn. De legende gaat dat de tonnetjesmannen dan een beetje in de Trekvaart kieperden, voordat ze de lading in de auto stopten. Tegenwoordig zouden we dit een ‘shit’ beroep noemen, vroeger was het daadwerkelijk zo. Tonneur plachten ze zichzelf nog wel eens met een Franse kwinkslag te noemen.
Iedere woensdag liep ik walgend de poepauto voorbij. Op een lenteachtige woensdagmorgen vroeg de kleine, toch ook wel grappige, tonneur, of ik even op het tonnetje wilde zitten. De angst sloeg om mijn hart. Ik begreep dat hij mij in een tonnetje wilde stoppen. Met angst en beven liep ik verder. Vanaf dat moment had ik een strontcomplex. Iedere dinsdagavond lag ik te huilen in bed. De volgende morgen moest ik weer voorbij die vieze auto met die enge mannen zien te komen.
Nu hebben we te maken met pedofielen, mijn angst lag bij de poepofielen. Na maanden ellende besloot mijn vader mij achter op de fiets te zetten en de tonneurs te confronteren met mijn probleem. Ze boden excuses aan en hadden geen weet van mijn angst. Na een opluchtend onderhoud kreeg ik van de kleine tonneur een ringetje. Hij had een zak vol met deze speeltjes. Waren er dan zoveel kinderen bang voor hem?
Het jaar daarop ging buurjongen Thijs ook naar de lagere school. Samen renden we altijd naar de Horstweg. Was ik in ieder geval de poeptruck snel voorbij. De angst was weg, maar een goed gevoel gaf het nooit.
Enkele jaren later verdwenen de tonnetjes. De afgeknipte krantenstroken waren al eerder verdwenen. Had je in ieder geval geen voorpagina van de Leeuwarder Courant meer achter op je kont staan!
Wabe Roskam

 

Een lekker biertje

Een lekker biertje

Velen van u zullen het programma De Keet hebben gezien op Omrop Fryslan. Van die clubjes die zich lam drinken in een ouwe caravan. Tenminste…. Zo wil men het nogal graag eens omschrijven. De waarheid zal ergens in het midden liggen. Ik ben nooit in onze eigen Jister geweest, maar weet zeker dat daar ook plezier wordt beleefd onder het genot van een drankje. In mijn tijd hadden we het Hinnehokje. Mijn tijd? Was net iets te jong om daar te mogen komen, alhoewel leeftijd misschien geen rol had gespeeld als mijn naam Willie of Angeline was geweest. Met andere woorden, als ik een meisje was geweest……. Ik wil en kan dat achteraf ook nog niemand kwalijk nemen.
In ieder geval, met mijn maatje Jan Wijnia hadden we het Kraaiennest. Een minuscuul hokje in het dak van de garage van Johannes en Geeske. Bij elkaar gepropt zaten we daar met zes of zeven jongeren te luisteren naar BZN (toen ze nog echte rockmuziek maakten), de Sparks en Slade. Jan was de discjockey. Waarom? Omdat de meisjes al ‘bezet’ waren. Ik ging met Tjallie, Albert met Ankie en ja, dan bleef Jan een beetje over, dus Jan draaide plaatjes.
Een enkele keer kwam Geeske de ladder op om te vragen of het allemaal goed ging. Het licht ging onmiddellijk aan en de speelkaarten werden op de grond gelegd. We waren jong en deden spelletjes. Geeske deed soms zelfs mee. Lieten we haar drie keer winnen en dan ging ze weer naar beneden. Er gingen in die tijd ook nog al eens wat geruchten door Parrega. Wat er in dat Kraaiennest wel niet allemaal gebeurde! Dakpannen van ongeveer 25 mm dikte houden natuurlijk niet veel geluid tegen.
Laat ik Parrega en Geeske met de hand op mijn hart geruststellen. Een kus en een streling, daar bleef het echt wel bij in het Kraaiennest. Ja we kraaiden soms van plezier. Maar nesten deden we niet.
Ik dwaal nu weg van de kop van het verhaal, een biertje, daar wilde ik over schrijven. Mijn eerste biertje dronk ik op het kerkhof van Parrega. Ik was 12, bevriend met Harry Huisman, de zoon van Jappie de koster. Midden in de zomer hielpen we Jappie met het schoonmaken van het kerkhof. Na afloop kregen we een Heineken biertje. Na alle zweten en hard werken en een biertje moest ik teruglopen naar het einde van de Trekweg. Parrega leek plotseling een wereldstad. Ik had het gevoel dat ik wel tien kilometer heb gelopen om thuis te komen.
Het volgende biertje kwam tijdens het dorpsfeest van Parrega toen ik 15 was. De hele zaterdag gefeest in Carpe Noctum op de Horstweg en toen op de fiets naar pake en beppe op Trekweg 88. Mijn ouders waren op vakantie en ik verbleef dus bij pake en beppe. Ik herinner me nog de lichten van de brug en dat ik de hoek om ging bij Trekweg 88. Om onverklaarbare wijze fietste ik dwars door het hek en eindigde in de heg van Binke de slager. Na pake Sjoerd uitgelegd te hebben dat zijn hek ook niet meer te sterk was, ging ik na een ‘preek’ van een half uur naar boven. Ik weet niet wat er aan het bed mankeerde, maar toen ik ging liggen, lag het hoofdeinde op de grond en het voeteinde stak bijna door het dakraam naar buiten. Tussen uitkleden en gaan liggen moet er ergens iets fout zijn gegaan. Gooi ik met deze bekentenis mijn verschrikkelijke goede naam nu te grabbel? Ach kom, we zijn toch allemaal jong geweest!
Wabe Roskam
Melbourne    

 

Wat een knapen

Wat een knapen

Vroeger bestond er in Parrega ook een knapenvereniging. Jongens van 12 tot 16 konden lid worden van deze club, die gehuisvest was in de oude school op de Kerkbuurt.
We deden spelletjes, handenarbeid en eens per jaar werd er een toneelstuk opgevoerd voor de gemeenschap. Ik ben zelfs nog een paar jaar secretaris geweest van de club. Voor onze leiders Henk Bruinsma en Douwe Dijkstra moeten we soms wel eens complete etterbakken zijn geweest. De baldadige leeftijd van rond de veertien bezorgde hen soms, of misschien wel vaak, grijze haren. Een club van een 16 van dit soort jongens was niet gemakkelijk om te leiden.
We stonden er ook niet bij stil dat deze mensen wel hun eigen vrije avond opofferden om ons een plezier te doen. Spoorzoeken was een van de favoriete spelletjes. Kon je tenminste het lokaal uit en de rest van de avond verdwijnen. Favoriete plek om je te verstoppen was het kerkhof, want daar kwam niet iedereen met evenveel plezier zoeken.
Een avond van de knapenvereniging zal me altijd bijblijven. Al slaat de Alzheimers ooit genadeloos toe, die avond vergeet ik nooit. We deden een spelletje. Of het een naam had weet ik niet meer, maar Henk en Douwe zaten achter een tafel. Wie het eerst een bepaald voorwerp op tafel kon leggen scoorde punten. Henk en Douwe riepen om beurt. Een kwartje, een broeksriem, een veter..... van alles kwam er op tafel te liggen.
Folkert van Jan en Loek Bootsma uit de Parregaaster Mar deed ook fanatiek mee. Zelfs zo fanatiek dat hij met de meest gevoelige plek van het mannelijk lichaam tegen de punt van de tafel stootte, toen hij vliegensvlug zijn riem op diezelfde tafel wilde leggen. Folkert gilde het uit en ging verbouwereerd terug naar zijn stoel.
Na enkele minuten voelde hij in zijn broekzak en trok helemaal wit weg en begon zachtjes te jammeren. Iedereen keek naar Folkert en vroeg zich af wat er gebeurd was. "Ik hew ien iene buse", jammerde hij. Niemand begreep waar hij het over had. "Wat heb je in je broekzak?", vroeg Henk. Uit alle wartaal bleek uiteindelijk dat Folkert het bange vermoeden had dat hij een van zijn testikels in zijn broekzak had. Door de klap tegen de tafel was deze in zijn broekzak geschoten. Het voelde helemaal nat, volgens het slachtoffer.
Voor de leiders zat er niets anders op dan te suggereren om dan die testikel maar uit zijn broekzak te halen. Heel voorzichtig ging Folkert met zijn hand in zijn broek, en met een angstig gezicht trok hij heel langzaam de testikel naar boven. Voorzichtig opende hij zijn hand...... En de club lag in een deuk.
Twee schijfjes van een gepelde sinaasappel lagen verdrukt in de knuist van het slachtoffer. Door de klap waren ze gaan lekken. Folkert wist niet of hij moest lachen of huilen, maar zijn opluchting was immens groot. Zijn gereedschap had de klap overleefd.
Helaas stierf Folkert veel te jong op een jeugdige leeftijd door een auto-ongeluk.
Wabe Roskam

 

 

Excelsior

Herinneringen aan Excelsior

Regelmatig kom ik de naam Excelsior tegen in de Pinfisker. Onze harmonie die, na 110 jaar, nog steeds het eeuwige leven lijkt te hebben. Gelukkig heeft dat nooit van mensen zoals ik afgehangen, want dan had het korps al lang niet meer bestaan.
Waarom? Ik heb alleen maar slechte herinneringen aan het muzikale fenomeen van ons dorp. En dat ligt dan volledig en totaal aan mezelf. Dus geen angst dat ik nu de beroemde klanken van Parrega de grond in ga schrijven. In tegendeel, ik heb veel respect voor een groep mensen die al jarenlang alles hebben gedaan en vast en zeker nog steeds doen, om de noten niet alleen te kraken, maar ook nog mooi te laten klinken.
Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik besloot mijn talenten te lenen aan Excelsior. Waarschijnlijk was ik een jaar of tien. Denk ook niet dat er een talentenjacht aan vooraf is gegaan. Behalve de gymnastiek was er niet veel te doen in het dorp, dus ging je maar bij de muziek. Excelsior had muzikanten nodig. Ik zag een carrière in het verschiet als de bekendste drummer van Parrega en omstreken. Dat leek me echt leuk om te doen.
Na een kwartier dirigent, destijds noemden we hem om een of andere onverklaarbare wijze directeur, Roelofsen in zijn gezicht te hebben gespuugd, werden we toegelaten tot de elite van de Parregaaster muzikale wereld.
Dat spugen had niets te maken met agressiviteit. We moesten proberen te toeteren met onze lippen. Had ik achteraf spijt van dat me dat nog lukte ook. Kwam ik thuis met een of andere afgedankte althoorn.
Mijn carrière leek plotseling nergens meer op. Dat baantje van Rients Couperus wilde ik. De drummer van het geheel. Niet een of andere rondgebogen aluminium pijp wat ze hoorn noemden. Waarschijnlijk protesteerden we nog niet in die tijd, want we accepteerden wat in onze handen werd geduwd.
De uitmonding van mijn hoorn leek na enkele weken al op een geëxplodeerde regenpijp. Niet dat ik de sterren van de hemel speelde, maar mijn buurjongen Thijs de Haan speelde ook bij het korps. En er was altijd een competitie tussen ons gaande wie het eerst in het 'oude lokaal' op de Kerkbuurt arriveerde. Omdat er maar 1 persoon door de nauwe doorgang van het hek naast het Paffertje ging, knalden we nog al eens tegen de betonnen paal met ons instrument. Na een aantal lessen werden we al snel toegelaten tot de 'eredivisie'. We moeten wel verschrikkelijk goed zijn geweest. Of... had het korps ons hard nodig om de gelederen aan te vullen? Ik weet niet meer hoeveel ik van die lessen heb geleerd, maar het uiteindelijke resultaat was dat ik de eerste 'playbacker' van Parrega werd. Slimheid? Angst? Ik weet het niet meer, maar ik deed altijd maar net of dat ik mee speelde, zat (of speelde) je altijd goed.
De pake van Thijs, Tjomme Rusticus, kwam met het 'lugubere' idee om Thijs en mij extra muzieklessen te geven. Wat? Niet meer voetballen na schooltijd, maar anderhalf uur toeteren op de Trekweg? Ik kwam er niet onderuit en moest wel meedoen. Gelukkig was pake Tjomme doof, dus zolang we herrie maakten zaten we wel goed. De doofheid van pake Tjomme, een fanatiek lid van Excelsior, leidde tijdens de repetities vaak tot hilariteit. Het directe  'aftikken' van de dirigent hoorde hij niet. Pas wanneer hij opkeek van het muziekblad en zag dat niemand meer speelde, stopte hij uiteindelijk zijn zware tuba. Ik denk dat ik hooguit twee jaar heb meegewandeld bij Excelsior.
Waarom ik gestopt ben kan ik me niet meer herinneren. Het enige leuke was wanneer Thijs en ik 's avonds naar huis liepen om half tien en de Trekweg wakker hielden met ons getoeter.
Excelsior, het Latijns voor hoger. Helaas heb ik nooit het gevoel gehad dat ik hoger ging. Sorry Parrega, niet alle herinneringen zijn even goed.
Wabe Roskam

 

Mijn dorp

Mijn dorp

Mijn dorp daar aan die vaart
Langgerekt en lang bestaan
Een vaart waarlangs je trok
De schepen, de vracht
Waar koeien grazen
En waarlangs ik liep
Dag in dag uit
Je kon me niet boeien toen ik jong was,
Je boeit mijn gedachten nu ik ouder wordt
Ik zie je huizen, ik zie je winkels
Zoals ze destijds hun dagelijkse rituelen vervulden
De bakker, de slager, de kruidenier
Van deur tot deur brachten zij mijn dagelijks genot
De school leerde mij wat ik nu nog weet
Wat ik weet is dat jij mijn dorp bent
Het dorp waar ik duizend keer langs die vaart liep
Naar de winkel, naar de school, naar vertier
Samenkomen op het Skil
Samen kletsen over kleine dingen
De dingen die een klein dorp bezighouden
Klein en langgerekt
Zul je altijd in mijn gedachten blijven
Als het dorp dat mij mijn jeugd gaf
En mijn toekomst
Ik weet nog steeds niet wat ik van je heb geleerd
Maar je was het vertrouwde, dat wat ik kende
En wat ik nooit vergeet!

 

Meer artikelen...