Workumer Mar

Visrijk water veranderde in polderland

 

Drie meren te weten Parregaster, Makkumer en Workumer gaven een inkomen aan vissers en stonden bekend om de goede kwaliteit vis, die in deze meren werd gevangen. Paling om te zuigen en in de Parregaster meer was het de blei die geroemd werd. Toch werd besloten om de meren droog te malen en hiervoor landbouwgrond te scheppen.

Op 15 augustus 1876 werd met droogmaking begonnen en ging de eerste spade de grond in voor het aanleggen van dijken. Op 25 juni 1878 werd het feit gevierd dat de drie meren droog lagen.
De eerste jaren na de drooglegging waren geen succes voor het telen van producten, onkruid heerste alom en door de slechte afwatering wilden de gewassen niet rijpen. Gedeelten grond moesten zelfs braak worden gelegd om later pas weer in cultuur te worden gebracht.
Een staaltje van Hollandse ondernemingsgeest wordt het droogmaken van de drie meren in Friesland genoemd. Hiérvoor was een kapitaal nodig van fl.600.000,- en dit kapitaal werd verkregen door het uitgeven van aandelen. Het waren vooral Engelsen die zich van aandelen voorzagen, onder Nederlanders liep het plaatsen van aandelen minder goed. In Nederland was men meer geïnteresseerd in aandelen van Peruanen en Turken, die veel interest opleverden.

 

WENS VERVULD

 

Toch werd de wens vervuld, het geld kwam er en wel vooral uit Engeland. Wel werd gemeld dat het een schande was dat zoveel kapitalisten in eigen land, het vertrouwen schonken aan vreemde naties en niet geld investeerden voor projecten als het droogmaken van de Makkumer, Parregasteren Workumer meer.
Met fierheid wordt gewezen op de ondernemingsgeest van een aantal Nederlanders, van wie enigen het denkbeeld opperden om de meren droog te leggen en anderen het idee overnamen en het uitvoerden. De drie meren hadden een gezamenlijke oppervlakte van 850 hectare water. Deze waterplassen waren door overstromingen ontstaan. Het water in de drie meren was overal zeer ondiep, de bodem over het algemeen zeer effen. De grond in de Workumer polder bestaat uit veen met een kleilaag bedekt en doortrokken; in andere meren bestond de grond uit zwarte vette klei, met lagen van een halve meter tot een meter dikte. Het sprak dus vanzelf, dat het Nederlandse hart, altijd tuk om het door het water veroverde grondgebied weer van water naar land te herscheppen. Maar hier stonden ook grote bezwaren tegenover, want Nederlanders beschouwen het water ook als hun element. Zo werd ook het water van de meren beschouwd als een bron van inkomsten, vooral de visserij gaf brood en deze werd dan ook druk beoefend. Paling gevangen in de Workumer meer was beroemd en gold als een speciale delikatesse. De blei uit het Parregaster meer, had eveneens een verfijnde smaak en vond gretig aftrek.

 

EERSTE STAPPEN

 

In 1854 werden door de minister van binnenlandse zaken de eerste stappen gezet om tot droogmaking van de drie meren te komen. Er werd een voorlopige concessie verleend.
Workum kwam in het geweer en verzette zich tegen de droogmaking van de meren. Workum was van mening dat zijn meer niet gemist kon worden, vanwege vooral de palinghandel, welke vanuit Workum op Engeland werd gedreven. De staat kon hier begrip voor opbrengen.

 

PAUZE

 

De jaren verliepen, wel werden onderzoekingen gedaan en rapporten opgesteld, maar beslist geen concrete stappen om tot daden over te gaan. De concessiehouders begonnen de moed te verliezen, het leek er op dat alles in de doofpot zou komen. Maar in1872 en 1873 namen drie mannen de zaak weer ter hand en deze zouden niet rusten voordat het doel was bereikt. Het waren de heren J. A. der Kloes, gemeente-architekt te Bolsward, C. Bouterse, aannemer en C. C. Ledeboer, notaris te Makkum.
Na in overleg te zijn getreden met de vorige concessiehouders gelukte het in 1874 (november) de definitieve concessie te verkrijgen.
Daarna werden de voorwaarden uitgewerkt, kanalen in kaart gebracht, die de scheepvaart en de afstroming ten dienste zouden staan.

 

EERSTE SPADE

 

Op 15 augustus 1876 kon de eerste spade de grond ingaan en had het werk van de drooglegging een aanvang genomen. Op 25 juni 1878 werd de kroon op het werk gezet en kon men zeggen dat de drie meren droog lagen. Verkaveling en in landbouwgrond herscheppen was de volgende stap. Er werd begonnen met het droogleggen van de Workumer meer, eerst werd een kanaal gegraven ten noorden van het meer. Het kanaal kreeg een breedte van 15 meter en een diepte van 1.50 meter beneden zomerpeil. Dit ten behoeve van de tijdelijke scheepvaart over de andere meren naar de Workumer trekvaart.

 

STORMEN

 

Het werk ondervond ook tegenslagen en wel door stormen op 30 en 31 juni 1877, stukken van dammen en dijken werden door de stormen beschadigd, maar hielden stand.
Op 20 april werd met het leegpompen begonnen. Het betrof hier een oppervlakte van 200 hectare, waar tengevolge van de hoge waterstand gemiddeld een diepte van twee meter water, een inhoud dus van zo'n vier miljoen kubieke water.
In een tijdsbestek van zeven weken haalden twee centrifugaalpompen, aangedreven door stoom, het water uit het meer.
In de zomer van 1787, tegen het einde van het droogmalen, stormde het opnieuw, maar nu was de storm een voordeel, want daardoor werd de toch reeds vlakke meerbodem geheel geëgaliseerd.
Op 1 september werd met verkaveling begonnen en werd de polder in staat van bezaaiing opgeleverd. De polder werd ingezaaid met gras en koolzaad. Maar doordat er nog teveel zout in de grond zat leverde de bodem een slecht product. Het koolzaad pakte slecht en het was alleen het gras dat goed aansloeg. Toch was men niet ontevreden over de opbrengsten in het eerste jaar.
Ten behoeve van de stad Workum werd in de pas drooggevallen grond een dijk aangelegd van 500 tot 600 meter lengte, die een ophoging vereiste van ongeveer drie meter. Dit werk werd op tijd opgeleverd en kon de boete van f 100,- per dag, na de gestelde termijn van oplevering, bespaard blijven. Gemeente Workum had namelijk dit bedrag geëist wanneer de opleveringsdatum overschreden zou worden.
Daarbij had de stad reeds fl. 4000,- gulden als schadevergoeding toebedeeld gekregen.

 

KORT OVERZICHT

 

31 januari 1877: Hevige storm, schade aan dijken en dammen.
Januari, februari, maart: Scheepvaart, turf- en veerschipers.
Aprol. Mei, juni:  Drrogmaking.
Juli, augustus: Verkaveling en bezaaiing.
December en januari 1878: lange Jacht op hazen. De laatste palingen werden in de Workumer meer gevangen in juni 1877; het eerste kievitsei werd in juni 1878 in de drooggemalen polder gevonden.
Later werden de twee centrifugaalpompen, die dienst hadden gedaan bij het droogmalen van de Workumer meer, ingezet bij het werk voor Makkumer en Parregaster meer.

 

LANDAANWINST NIET BESLISSEND

 

Landaanwinst was in de negentiende-eeuw in het algemeen niet het beslissende motief voor droogmaking. Naast de staat hebben zeker ook particulieren zich ingespannen voor het droogleggen van water om hierdoor land beschikbaar te krijgen. Het waren particulieren die zich inzetten voor het droogmalen van de drie meren in de omgeving van Workum.
Het eerste gemaal dat bij Workum zorgde voor een goede waterbeheersing in de Workumer meer, kon niet het gewenste resultaat opleveren. In 1902 werd dit stoomgemaal vervangen door één van grotere capaciteit.

 

OOGSTEN MISLUKTEN

 

In de eerste jaren schijnen oogsten mislukt te zijn en liet men in volgende jaren stukken grond braak liggen. Oogsten vielen bitter tegen en de veldvruchten werden staande op het land verkocht. Uit gegevens blijkt dat totale oogsten in de Workumermeerpolder totaal mislukten.
Dat oogsten mislukten werd geweten -aan de slechte waterbeheersing in het nieuwe land.
Terreinen werden nu verpacht aan boeren en koemelkers, de grond werd intensief gebruikt.
In de Workumermeerpolder werd tevens de vervening aangepakt. Daarmee werd begonnen in 1892 en het betrof vrijwel de geheel polder met uitzondering van enkele percelen waarop hakhout stond. In de periode 1886 tot 1900 werden een zestal boerderijen gesticht, maar tenminste twee hiervan zijn bij vergravingen weer afgebroken.

 

OORLOGSJAREN ZETTEN VEREVENING ONDER DRUK

 

Workum profiteerde van turf uit Workumer meer

 

Tijdens de oorlogsjaren kwam de vervening in de Workumer meer onder druk te staan, turf en nog eens turf werd gevraagd voor het stoken van kachels in woningen en ovens in bedrijven. Gedurende deze jaren werd werd de Warkumer Mar praktisch geheel verveend. Land voor vervening werd opgekocht door mensen die zich als turfstekerbedrijfjes presenteerden. Het land werd meestal betrokken op de voorwaarde dat het na het afgraven van het veen weer in goede staat terugging naar de eigenaar. Werk genoeg in de Mar werd er gezegd en dat was voor velen ook zo. Zij vonden gedurende kortere of langere tijd een werkkring door het steken van turf en het opstapelen van de gestoken turf voor het goed laten verlopen van het drogingproces.
Eten was krap en de veenbazen bedongen vaak bij verkoop van turf de voorwaarde dat er spek of iets dergelijks, naast het bedrag dat betaald moest worden voor de gekochte turf, extra moest worden geleverd. Daarbij soms gebruik makend van het verhaal dat de veners zwaar werk moesten verrichten en dat een beetje extra voeding welkom was. Maar over het algemeen zagen de werkers die extra voeding nooit, het verdween bij de veenbazen, die er hun adressen voor hadden. Werk werd ook gezegd tegen twee jonge Workumers. Kom werken bij ons in de Mar, je kunt er leuk verdienen en er is volop werk. De twee zeiden hun banen op en togen naar de Mar. Zij kregen rot werk toebedeeld dat anderen vertikten te doen. Na een week was deze klus geklaard en konden de werkers, waarop zoveel werk te wachten lag in de turf, ook naar huis. Ze hadden ontslag gekregen, het werk was op!
Ze moesten weer bij de oude baas aankloppen en die nam hen beiden weer in dienst. We hebben een schaap geslacht, zei een veenbaas tegen één van zijn werknemers. Er zit voor jou en je familie ook wat aan. Kom het vanavond maar ophalen. De buit bestond die avond uit een schapenkop, die de veenbaas voor de betrokken werknemer had klaargelegd.
De kop heeft een volle dag bij ons op het aanrecht gelegen, zegt een betrokkene van destijds. De grote schapenogen keken ons maar aan, maar we wisten niet goed wat we met zo'n kop konden doen. Tenslotte toch maar de kachel opgestookt en de kop in een pan met water gelegd. Maar eens flink koken. Het resultaat was, toen de kop goed gekookt was, bleek dat er eigenlijk geen stukje vlees aanzat en de hele actie voor niets was geweest.
Bij één van de veenbazen bestond het wekelijkse extraatje uit het mogen draaien van een sigaret zo dik dat het vloeitje er nog net omheen paste.

 

ALLERHANDE VOERTUIGEN

 

Maar de Marturf vond aftrek en met allerlei rijdens spul van karren tot aan kinderwagens werd door de Workumers de Mar ingereden en gezocht naar turf, die op het land stond te drogen. Dan moest er eerst gepraat worden met de veenbaas en een prijs afge.,nroken. Daarna werden de vervoersmiddelen volgeladen en ging de tocht weer richting Workum. Kinderwagens en dergelijke waren vaak niet berekend op het vervoer van turf. De vrachten waren zwaar, want wie een aantal turven had gekocht kreeg deze gesorteerd. Dat wil zeggen enkele droge en heel veel natte! Wielen van rijdend materiaal begaven het, karren waren niet weg te duwen uit het sappige veenland en dan moest van de lading weer een gedeelte van een kar verwijderd worden zodat met vereende krachten de kar naar een verharde weg geduwd kon worden, waarna al sjouwende de rest van de lading weer werd opgehaald en op de kar bij gestapeld.
Vrouwen met kinderen en een wagentje togen de Mar in op zoek naar turf. Toen ze bij een stuk land kwamen en hier turf zagen liggen, werd de veenbaas geroepen. Er werden zaken gedaan. Er werd betaald en de turf werd tot aan de overkant van de sloot bij een plank over die sloot klaargezet. De plank was smal, de vrouwen durfden de oversteek niet aan. De veenbaas was alweer verdwenen. Lang werd er geaarzeld, maar tenslotte toch de stap maar gewaagd en de turf over de smalle plank naar het wagentje gesleept.
Er was ook vaak veel willekeur. Wie in het oog van de veenbaas een beste was, kreeg mooie droge turf; wie in diens ogen minder goed uit de verf kwam, werd bedeeld met natte turf en nog veel nattere veenkluiten.

 

ZOETE WRAAK

 

In 1938 jaagde de Workumer Nicolaas Huisman onder Blauwhuis. Hij constateerde dat er een vette haas langs een slootkant lag. Dit was een kansje op een lekkere hap. Maar eerst werd naar de boer gestapt en gevraagd of Huisman het land mocht betreden en met zijn pas verworven jachtakte op zak een haas mocht schieten. Als jij bij mij in het land komt, stuur ik je de politie op je donder, zei de boer.
Huisman keerde huiswaarts zonder de begeerde haas en had wrok tegen de boer die hem het brood uit de mond had gestoten.
In 1940 kocht Huisman met compagnon Marten de Vries 7 p.m. land van Lycklama à Nijeholt om dit te vervenen. Conditie was dat na het vervenen het land weer in goede staat moest worden opgeleverd, dat wil zeggen geëgaliseerd en met de teeltlaag weer aangebracht. Een oude auto diende als kantoor van de vervener. Op een dag zag hij een hem bekende boer aankomen. Vanuit het 'kantoor' sloeg Huisman de verrichtingen van deze boer gade. De fiets werd bij het hek gezet en de boer zou over het hek klimmen. Op dat moment had Huisman gewacht. Hij deed de deur van het kantoor open en riep: wat zal dat! Het antwoord was: ik kom turf bij je kopen. Vergeet het maar , zei Huisan, jij krijgt van mij nooit één turf. Je kent me nog wel, zolang is het nog niet geleden dat ik niet in je land mocht jagen en met de politie gedreigd werd. Dus weg jij en geen poot op mijn land!
Dat was zoete wraak, zegt voormalig veenbaas Huisman.
In de 'vette jaren' hadden wij zo'n tien span turfstekers in dienst en na het steken van de turf werden deze op het land zo opgestapeld dat de wind er goed doorheen kon dringen en het drogingproces vlot zou verlopen.

 

BOTER BIJ EEN ZALFJE BOTER BIJ DE TURF

 

Dokter zei, je kind moet elke avond ingesmeerd worden met een zalfsoort, zodat de uitslag op de huid gaat verdwijnen. Dokter schreef een recept en een veenbaas toog ermee naar een apotheek. De apotheker las het recept en zei, dit kan ik maken, maar dan moet er wel een half pond echte boter bij geleverd worden, want zonder boter kan ik de zalf niet maken, de boter moet in de zalf verwerkt worden. De boter werd geleverd en 's avonds werd de zalf opgehaald. Een piepklein potje dat onmogelijk een pond boter plus het geneesmiddel kon bevatten.
Op de vraag of de rest van de boter weer terug werd gegeven, werd ontkennend geantwoord. Het ene woord haalde het andere uit en het gevolg was dat de man achter de toonbank in z'n kraag werd gegrepen, de strik raakte los en het ging vrij hard toe. De assistente zag het even aan en riep toen: stop maar, ik ga wel meer zalf maken. En later kon een fikse pot gevuld met boter en het geneesmiddel worden afgehaald.
Weer iets later verscheen de man uit de apotheek met zijn vriend in de Mar. Hij wilde turf hebben en kon dat kopen. De prijs werd afgesproken (wel werd erbij bedongen dat er een pond echte boter moest worden bijgevoegd, want turf maken zonder boter bijvoegen was niet mogelijk) en wanneer de turf aan huis moest worden afgeleverd kon dat gebeuren met de melkrijder en moest de melkrijder voor het vervoer ook nog eens betaald worden.
Hoe kan dan nu, werd gevraagd. Mijn vriend Oosten krijgt de turf voor dezelfde prijs thuisbezorgd? Ja de een is de ander niet, werd geantwoord en voor een ieder gelden andere prijzen en andere voorwaarden!

 

250 TURVEN BIJ BEVALLING

 

De beide Workumer doktoren verschenen bij de veenbaas in de Mar. Hun probleem was, dat wanneer er een kleine was geboren er moeilijkheden waren met het schoon krijgen van de luierwas. Besloten werd bij iedere bevalling 250 turven te verstrekken.
Wat gebeurde er nu? Het leek er op dat heel Workum in verwachting was. Van tien tot zestig jaar meldden zich. klan ten voor de 250 turven die bij bevalling verstrekt werden. Iedereen was plotseling zwanger en als het nog waar was ook, dan had Workum binnen een jaar een tienvoudig aantal inwoners gekend!
Daarom werd nieuw overleg gepleegd en werd besloten dat alleen via een door de dokter geschreven briefje turf kon worden verkregen. Het aantal in verwachting zijnde dames nam drastisch af, al vroeg de veenbaas zich nog wel eens af, wanneer hij een briefje van de dokter kreeg toebedeeld, hoe het mogelijk was dat men op zo'n hoge leeftijd, boven de zestig en tegen de zeventig, nog verblijd kon worden met een baby!
Voor turf die geleverd dienden te worden aan vrouwen in verwachting werden geen vrachtkosten in rekening gebracht, deze werden franco huis afgeleverd.

 

VLOOIEN IN OVERVLOED

 

Vlooien uit de Mar, het zat daar vol met vlooien en die werden door de turf mee naar Workum genomen en overstroomden de woningen.
Nou, nou, zegt een Workumer, die jarenlang in de Mar heeft gewerkt als turfsteker. Het kon er mooi op door, vlooien in de turf dan ook vlooien in de huizen. Maar eigenlijk was het toch niet helemaal waar. Workum zat al van Noard tot Sud onder de vlooien. Dat kwam omdat er weinig effectieve schoonmaakmiddelen en ontsmettingsmiddelen voorhanden waren. Het was dus heel moeilijk om Workum vlovrij te houden. Aan de vlooienplaag zal ook de turf meegewerkt hebben, maar niet alles op de turf schuiven. Pas na de oorlog toen de effectieve bestrijdingsmiddelen op de markt kwam was de vlooienplaag voorbij.

 

KONIJNEN

 

Wanneer turf werd afgeleverd was hierbij vaak bedongen dat er enkele konijnen moesten worden geleverd voor het instandhouden van deze diersoort. De konijnen werden in het turfland losgelaten en teelden er lustig op los. Er liepen bij een veenbaas zo'n 100 tot soms wel 200 konijnen in het land. Maar het vlees werd krapper en de werkers
in het veen kwamen nu geregeld met een stok gewapend naar het werk. Wanneer het werk er 's avonds opzet, werd snel een ronde over het land gemaakt en deden de knuppels hun werk. Binnen enkele weken was er geen konijn meer te vinden in het veenland.

 

Onderduikers

In een hoger gedeelte van het land was een groot gat gegraven, hierin had men een voormalige Mabo-bus laten zakken. Grond er overheen en turf hoog opgestapeld om de luiken van de bus aan de bovenkant voor het oog weg te houden.
De bus werd ingericht met slaapplaatsen voor onderduikers, totaal een twintig man sterk. Stro om op te slapen en verder dekens enzovoort. Overdag werkten de onderduikers als veenarbeiders, 's nachts verdwenen ze onder de grond in de autobus.
Onder hen was een landelijk bekende communist, die door de Duitse Sicherheitsdienst werd gezocht.
Op een dag kwamen controleurs op het land, ze wilden wel eens weten wie. hier werkten en vroegen om papieren. Bij de controleurs was ook Rintsje Haagsma, een NSB-er die de zaken in de Mar goed had gevolgd. Hij wilde beslist niet dat de werkers hun papieren moesten tonen en betoogde, dat voor hem gold, dat voor hen die werkten alles in orde was, anders zouden ze niet open en bloot op het land vertoeven. Hij zette zijn woorden de nodige kracht bij en overtuigde de controleurs, dat deze extra controle ten koste zou gaan van het turfsteken en een lange onderbreking van het werk kon inhouden. Men was tevreden gesteld en Haagsma kon de controleurs uit het land loodsen.
Haagsma zelf wist wel beter en wist ook dat controleren van papieren slachtoffers zou vragen.
Later werd nog eens een poging gedaan door een controleur, die uit naam van een gemeente turf moest vorderen. We hebben geen turf staan, die klaar is voor aflevering, werd gezegd. Maar al die droge turf dan op die bult, die moet geleverd worden anders kom ik controleren en orde op zaken stellen. Er werd afgesproken dat de controleur de volgende week weer zou komen praten over de grote hoeveelheid droge turf, die dienst deed om de in de grond weg gegraven bus te camoufleren. Toen de man weer op het land verscheen, werd hij ontvangen in het kantoor van de veenbaas, die deed de deur van het kantoor op slot. Er werd gepraat, gedreigd, gescholden en het resultaat was dat de controleur vertrok na het tekenen van een akte waarin was op genomen dat de betreffende hoeveelheid turf niet voor handel in aanmerking kwam en dus moest blijven staan waar het stond.
Zo zullen er nog veel meer verhalen over de Mar in de jaren 1940 tot 1945 zijn. Het was een tijd waarin veel gelachen werd tijdens het werk, maar waar ook degelijk gelet moest worden op wie er door de Mar zwierven, goed en slecht volk, ze waren vaak moeilijk uit elkaar te houden